De afwijzing van het Insolvenzverfahren is voor schuldeisers niet het einde, maar biedt juist eigen mogelijkheden; in sommige gevallen zelfs gunstiger dan een regulier
Insolvenzverfahren.
1. Individuele executie (Einzelzwangsvollstreckung)Met de afwijzing is de individuele executie weer volledig toegestaan. Omdat er geen
Insolvenzverfahren is geopend, geldt het executieverbod van
§ 89 Abs. 1 InsO niet. In plaats van het insolventierechtelijke beginsel van gelijke behandeling van schuldeisers (par condicio creditorum) geldt nu het prioriteitsbeginsel: wie het eerst executeert, wordt het eerst voldaan.
Deze zogenaamde
Befriedigungswettlauf kan voor de alerte schuldeiser gunstiger uitpakken dan een
Insolvenzverfahren, waar de uitkeringsquote doorgaans slechts 5–10% bedraagt.
2. Massekostenvorschuss: de schuldeiser financiert de openingOp grond van
§ 26 Abs. 1 S. 2 InsO kan een schuldeiser de afwijzing van de
Insolvenzantrag voorkomen door een
Massekostenvorschuss te betalen. Dit kan strategisch zinvol zijn wanneer te verwachten is dat een
Insolvenzverwalter Anfechtungsansprüche (
§§ 129 ff. InsO) of aansprakelijkheidsvorderingen tegen bestuurders kan realiseren, die de individuele schuldeiser buiten de insolventieprocedure niet geldend kan maken.
De voorschotverstrekker heeft op grond van
§ 26 Abs. 3 InsO een verhaalsrecht op personen die verwijtbaar geen
Insolvenzantrag hebben ingediend. De betaling van het voorschot kan zelfs door de
vorläufige Insolvenzverwalter of door iedere persoon met een gefundeerde vermogensaanspraak tegen de schuldenaar worden gevorderd (
§ 26 Abs. 4 InsO).
3. Gläubigeranfechtung buiten de insolventieprocedure (AnfG)Buiten een
Insolvenzverfahren staat de schuldeiser de
Gläubigeranfechtung ter beschikking op grond van het
Anfechtungsgesetz (AnfG). Dit geeft de individuele schuldeiser de mogelijkheid rechtshandelingen van de schuldenaar die de schuldeisers benadelen, aan te vechten en de gevolgen daarvan ongedaan te maken.
Voorwaarde (
§ 2 AnfG): de schuldeiser moet beschikken over een executoriale titel (
vollstreckbarer Schuldtitel) en de executie in het vermogen van de schuldenaar mag niet tot volledige voldoening hebben geleid of zal daar naar verwachting niet toe leiden.
De belangrijkste
Anfechtungsgründe zijn:
- Opzettelijke benadeling (§ 3 AnfG): rechtshandelingen in de laatste 10 jaar vóór de aanvechting, verricht met het oogmerk schuldeisers te benadelen, mits de wederpartij dit oogmerk kende. Kennis wordt vermoed wanneer de wederpartij wist dat de schuldenaar zahlungsunfähig was.
- Onverplichte prestaties (§ 4 AnfG): "om-niet"-prestaties van de schuldenaar, mits verricht in de laatste 4 jaar. Gebruikelijke geschenken van geringe waarde zijn uitgezonderd.
- Gesellschafterdarlehen (§ 6a AnfG): bevrediging of zekerheidstelling ten behoeve van aandeelhoudersleningen (i.d.z.v. § 39 Abs. 1 Nr. 5 InsO).
Strategisch voordeel: Bij de
Gläubigeranfechtung op grond van het
AnfG maakt de schuldeiser het teruggevorderde vermogen voor zichzelf geldend, zonder dat hij de opbrengst met de overige schuldeisers hoeft te delen. Bovendien hoeven er geen curator- of procedurekosten in mindering te worden gebracht. Dit kan tot een aanzienlijk beter resultaat leiden dan de gebruikelijke "
Insolvenzquote".
4. Persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurdersSchuldeisers kunnen nagaan of de
Geschäftsführer of het bestuur van de rechtspersoon tijdig aan de
Insolvenzantragspflicht (§ 15a InsO) heeft voldaan.
De aanvraagtermijn bedraagt maximaal drie weken bij
Zahlungsunfähigkeit en zes weken bij
Überschuldung.
Bij niet-naleving staan de schuldeiser de volgende aanspraken ter beschikking:
- § 15b InsO (voorheen § 64 GmbHG a.F.): de bestuurder moet alle betalingen die na intreding van de Insolvenzreife zijn verricht aan de vennootschap terugbetalen, voor zover deze niet met de zorgvuldigheid van een redelijk handelend bestuurder verenigbaar waren.
- § 823 Abs. 2 BGB i.V.m. § 15a InsO: schadevergoeding wegens Insolvenzverschleppung. § 15a InsO is een beschermingswet (Schutzgesetz) in de zin van § 823 Abs. 2 BGB. Nieuwe schuldeisers (Neugläubiger) hebben recht op de volledige vertrouwensschade; bestaande schuldeisers (Altgläubiger) op de quotaschade.
- § 15a Abs. 4–6 InsO (strafrechtelijk): Insolvenzverschleppung als strafbaar feit: gevangenisstraf tot drie jaar of geldboete.
- § 26 Abs. 3 InsO: verhaalsrecht van de verstrekker van het Massekostenvorschuss op personen die verwijtbaar geen Insolvenzantrag hebben ingediend.
5. Hernieuwde InsolvenzantragDe afwijzing wegens ontoereikendheid van de boedel staat niet in de weg aan het indienen van een nieuwe
Insolvenzantrag, indien de vermogenspositie is gewijzigd of een
Massekostenvorschuss wordt betaald. Schuldeisers kunnen ook zelf als aanvrager optreden (
§ 14 InsO), mits zij het bestaan van een openingsgrondslag (
Zahlungsunfähigkeit of
Überschuldung) en een rechtens te respecteren belang (
rechtliches Interesse) aannemelijk maken.