Algemeen§ 315c StGB sanctioneert het concreet in gevaar brengen van (i)
Leib oder Leben van anderen of (ii)
fremde Sachen von bedeutendem Wert door het besturen van een voertuig in het verkeer onder bepaalde, door de wet omschreven omstandigheden.
De norm kent twee klassieke ingangspoorten:
- Nr. 1 (Fahruntüchtigkeit): rijden in rij-ongeschikte toestand (alcohol of andere bedwelmende middelen; lichamelijke of geestelijke gebreken).
- Nr. 2 (die “sieben Todsünden”): grob verkehrswidrig und rücksichtslos een van de in lit. a–g opgesomde zware verkeersverkeersovertredingen begaan (o.a. voorrangsfouten, foutief inhalen, gevaar ter hoogte van oversteekplaatsen/kruisingen, te hard rijden op onoverzichtelijke plaatsen, onjuist linksaf of wenden, handelen aan spoorwegovergangen).
Concreet gevaar is vereist: de situatie moet zó kritisch zijn dat het slechts van het toeval afhangt of schade/letsel uitblijft (“
Beinahe-Unfall”). De rechtspraak benadrukt dit
Zufallskriterium; zonder die concrete gevarendichtheid is
§ 315c niet vervuld.
Bij
fahrlässige (culpoze) pleegvarianten liggen de strafmaxima lager dan bij
vorsätzliche (opzettelijke) varianten; de kernstrafbedreiging is geldboete of gevangenisstraf, met maxima van vijf jaar (opzet) resp. twee jaar (schuld).
Terzijde: als alleen het eigen (door de dader bestuurde) voertuig of het
Tatwerkzeug is beschadigd, ontbreekt de “
fremde Sache” in de zin van
§ 315c, en leidt dan in de rechtspraak geregeld tot vrijspraak/kwalificatiecorrectie.
Een “
Sache von bedeutendem Wert” wordt in de literatuur en leerbronnen drempelmatig benaderd rond € 750, maar in de praktijk ligt het zwaartepunt bij gevaar voor personen.