Het feitelijke opsporingswerk (
Ermittlungen) in Duitsland wordt verricht door de politie (
Polizei). Deze doet dat uiteraard niet "zomaar"; er moet een
Anfangsverdacht (vermoeden van een strafbaar feit) in de zin van
§ 152 StPO zijn. Het doel van de
Ermittlungen is achterhalen van de ware toedracht van het beweerdelijke strafbare feit. Daartoe dient de bewijsvergaring (
Beweiserhebung). De
Polizei is in dat kader bevoegd om een mogelijke verdachte c.q. getuige (
tatverdächtiger Zeuge) te horen (
informatorische (Vor)Befragung), en desnodig aan te houden en aan een verhoor (
Vernehmung) te onderwerpen. In het merendeel van de gevallen vindt de
Vernehmung op het politiebureau plaats. Daarin bevindt zich ook een cellenblok (
Gewahrsamszelle) voor de
Polizeigewahrsam.
Buitenlandse verdachten, die de Duitse taal niet machtig zijn, hebben recht op een verhoor in een taal die zij wel begrijpen, en dus ook recht op een tolk. Ook heeft een verdachte recht op de aanwezigheid van een advocaat van zijn keuze. Tijdens het verhoor heeft deze echter slechts beperkte rechten. Daarnaast kan de buitenlandse verdachte zijn ambassade en naaste familie doen informeren.
Duurt de
Polizeigewahrsam vermoedelijk langer dan 24 uur, dan dient de verdachte vóór afloop van de daaropvolgende dag aan een rechter (
Ermittlungsrichter) te worden voorgeleid (
erste richterliche Pflichtanhörung). Er bestaat immers blijkbaar bij de
Polizei en de
Staatsanwaltschaft de wil om de betrokkene als verdacht van een strafbaar feit verder te vervolgen. De status van de betrokkene wijzigt hierdoor van
Tatverdächtiger in
Beschuldigter.
Een
Beschuldigter heeft meer processuele rechten dan een
Tatverdächtiger. Zo moet hij op zijn zwijgrecht, en op het recht zichzelf niet te hoeven belasten, geattendeerd worden, en heeft hij recht op bijstand door een advocaat (
Anwalt/(Straf)Verteidiger). Bij verdenking van een misdrijf (een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van minimaal 1 jaar staat) heeft de verdachte/
Beschuldigter bovendien recht op de bijstand door een zogenaamde
Pflichtverteidiger.
De
Ermittlungsrichter beslist derhalve binnen de eerste 48 uur of de verdachte in het kader van het opsporingsonderzoek langer van zijn vrijheid mag blijven "beroofd". Dit kan hij tot 3x doen (
Langzeitgewahrsam). De maximale duur van de
Polizeigewahrsam bedraagt derhalve 4 dagen (
§ 42 Bundespolizeigesetz). Een en ander kan overigens in details per
Bundesland verschillen.
De
Ermittlungsrichter is ook de bevoegde rechter, die beslist over de meeste andere door de
Staatsanwaltschaft gevorderde onderzoeksmaatregelen tegen de verdachte, zoals (huis)doorzoekingen, afluisteren/tappen, fysiek onderzoek aan/in het lichaam. etc.. Hij heeft daarmee tot taak de (grond)rechten van de verdachte te waarborgen, en niet (meer) zoals vóór 1977, een gerechtelijk vooronderzoek te leiden. Vóór de afschaffing van het gerechtelijk vooronderzoek in 1977 heette hij trouwens "
Untersuchungsrichter".
Binnen voormelde 4 dagen dient de
Staatsanwaltschaft dus te beslissen of een
Haftbefehl (arrestatiebevel) bij de bevoegde rechter gevorderd wordt. In dat geval wordt de verdachte weer voorgeleid aan de
Ermittlungsrichter als
Haftrichter. De verdachte zal alsdan worden bijgestaan door zijn eigen
Wahlverteidiger of door een vooraf door de
Haftrichter aan te wijzen
Pflichtverteidiger. Aanwezig bij deze voorgeleiding zijn dan ook de
Staatsanwaltschaft, en meestal de politieambtenaar die het opsporingsonderzoek onder verantwoordelijkheid van de
Staatsanwaltschaft leidt. En, indien noodzakelijk, een tolk voor de verdachte.
De verdachte kan tijdens de voorgeleiding een verklaring afleggen, maar doet dat (uiteraard) meestal niet. In tegenstelling tot de verklaring ten overstaan van de
Polizei, is die ten overstaan van de
Haftrichter namelijk wèl een wettig bewijsmiddel.
De
Haftrichter onderzoekt vervolgens of aan de wettelijke voorwaarden voor de
Untersuchungshaft (ook wel
U-Haft genoemd) is voldaan, en zal in het voorkomende geval tot een
Haftbefehl beslissen. De
Vollstreckung van de
Haftbefehl vindt plaats door de Verhaftung (arrestatie) van de verdachte (
Beschuldigter), en aansluitende overdracht aan en overplaatsing naar een
Justizvollzugsanstalt (JVA), dus een gevangenis.
Normaliter wordt de eerste
Untersuchungshaft opgelegd voor de duur van maximaal 4 weken. Vóór ommekomst daarvan moet worden gecontroleerd of nog steeds aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en of de
U-Haft dus nog noodzakelijk is en in verhouding staat tot de eventueel op te leggen straf (
Verhältnismäßigkeitsprüfung). De maximale duur van de
U-Haft is overigens niet wettelijk geregeld. Door het zogenaamde
Beschleunigungsgebot moet de strafzaak zo snel mogelijk op zitting worden gebracht; het liefst binnen 6 maanden na de uitvaardiging van de
Haftbefehl. Dreigt de
U-Haft echter de 6 maanden te overschrijden, dan dient de beoordeling over de noodzaak van voortzetting van de
U-Haft te worden voorgelegd aan de
Gerichtshof.