Einstellung des Strafverfahrens

Die Einstellung des Strafverfahrens

Naar Duits recht kan een strafzaak vóór de einduitspraak tot een voortijdig einde komen: die Einstellung des Strafverfahrens. Dat kan 'uiteraard' tijdens het zogenaamde Ermittlungsverfahren (opsporingsonderzoek door politie en justitie), maar ook nog nadat het Hauptverfahren (bij de strafrechter) gestart is.
Het belangrijkste voordeel voor de verdachte: in beginsel lijdt een Einstellung niet tot een veroordeling, en krijgt de verdachte dus ook geen strafblad. Naar Duits recht geldt dan nog steeds de 'Unschuldsvermutung': bij een Einstellung is de schuld van de verdachte niet positief, maar ook niet negatief vastgesteld.

Waar is de Einstellung geregeld?

Tijdens het Ermittlungsverfahren (opsporingsonderzoek):
  • § 153 StPO: Einstellung des Verfahrens wegen Geringfügigkeit
  • § 153a StPO: Einstellung des Verfahrens nach Erfüllung von Auflagen und Weisungen
  • § 154 StPO: Einstellung des Verfahrens bei Mehrfachtätern
  • § 154a StPO: Einstellung des Verfahrens zur Beschränkung der Strafverfolgung
  • § 170 Abs. 2 StPO: Einstellung des Verfahrens mangels hinreichenden Tatverdachts
§ 153 StPO: Einstellung des Verfahrens wegen Geringfügigkeit
De Staatsanwaltschaft kan ingevolge het bepaalde in § 153 Abs. 1 StPO van verdere vervolging afzien wanneer sprake is van een Vergehen, de schuld van de verdachte als gering kan worden beschouwd, en het openbaar belang zich niet tegen een sepot verzet.
§ 153a StPO: Einstellung des Verfahrens nach Erfüllung von Auflagen und Weisungen
De Staatsanwaltschaft kan ook afzien van verdere vervolging wanneer de verdachte bereid is aan nader op te leggen voorwaarden te voldoen. Daarbij kan gedacht worden aan het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer of het anderszins tot stand brengen van een regeling met het slachtoffer (de zogenaamde Täter-Opfer Ausgleich (TOA)), het betalen van een geldbedrag aan de Staatskas of een goed doel, maar ook aan het volgen van bijvoorbeeld een verkeerscursus.

De verdachte dient zich goed te realiseren, dat de Staatsanwaltschaft de strafvervolging weer kan oppakken wanneer de voorwaarden niet vervuld worden. Het is dus een sepot onder opschortende voorwaarde..
§ 170 Abs. 2 StPO: Einstellung des Verfahrens mangels hinreichende Tatverdachts
Bij de Einstellung des Verfahrens mangels hinreichenden Tatverdachts (§ 170 Abs. 2 StPO) is de Staatsanwaltschaft tot de conclusie gekomen, dat de strafrechter in de hoofdzaak naar alle waarschijnlijkheid niet tot een veroordeling zal komen, dus dat een vrijspraak zal volgen.
Ook nach Eröffnung des Hauptverfahrens is een Einstellung des Strafverfahrens nog steeds mogelijk (§§ 153, 153a, 154 und 154a StPO). Aangezien een strafzaak normaliter eindigt met een bewezenverklaring of een vrijspraak, is een Einstellung nach § 170 Abs. 2 StPO uiteraard niet mogelijk. Immers, als er geen hinreichende Tatverdacht is, moet vrijspraak volgen; in het andere geval een veroordeling.
De bevoegdheid tot voortijdige beëindiging van de strafzaak wegen Geringfügigkeit (§ 153 Abs. 2 StPO) komt nach Eröffnung des Hauptverfahrens ook toe aan de strafrechter, en wel in elke fase van de procedure, echter alleen met toestemming van de Staatsanwaltschaft en de in persoon verschenen verdachte. Mocht de verdachte niet in persoon verschenen zijn, dan kan de Einstellung ook zonder zijn expliciete toestemming volgen.
Stuur ons een bericht en wij nemen op korte termijn contact met U op.